De Boom van Jesse
Beeldhouwer Willem van Tetrode
|
Dr. D.P. Oosterbaan schreef een indrukwekkend boek waarin
het schitterende werk van de beeldhouwer Willem van Tetrode aan de orde
komt. Een aantal gegevens heb ik overgenomen uit het boek De Oude Kerk
te Delft in de Middeleeuwen.
Het hoogaltaar van de Oude Kerk in Delft krijgt een opkapbeurt. Is dit
hoogaltaar bij de beeldenstorm van 1566 beschadigd? Twaalf stenen apostelen
stonden op dit altaar, gegroepeerd rond het beeld van de Verlosser. De
beeldenstormers vernielden het grondig. Niet meer dan een romp was er
van over. Een geheel nieuw altaar moest er komen. De rijke katholieke
bovenlaag in Delft zocht hiervoor aan Willem Danielsz van Tetrode op 9
maart 1568. Van Tetrode kreeg een contract. Hij had al een staat van dienst
en was beroemd.
Willem van Tetrode was zo goed als zeker in Delft geboren. Hij trok naar
Italie waar hij omstreeks 1549 in Florence werkte. Hij restaureerde bij
de beroemde beeldhouwer Benvenuto Cellini een antieke Ganymedes die Stefano
Colonna aan Comsimo 1 had geschonken. Het staat vandaag de dag nog in
het Bargello.
Foto rechts: De boom van Jesse toont het voorgeslacht van Jezus. Jesse
(of Isai) was de vader van koning David. Hij is de liggende figuur uit
wiens lichaam de boom lijkt te groeien. In de boom worden van beneden
naar boven getoond Abraham, David (met harp), Maria en Jezus. Anoniem
werk uit de gotiek.Het is een folio (14v) uit het Ingeborg-psalter, een
boek met psalmen dat rond het jaar 1200 gemaakt werd in Noord-Frankrijk.
Het werd gemaakt voor Ingeborg van Denemarken, de vrouw van de Franse
koning Filips II.
|
 |
|
In een brief van 25 juni 1562 aan Cosimo 1 herinnert Van Tetrode aan
dit verblijf in Florence. Uit documenten van 19 oktober 1562 blijkt dat
de kunstenaar uit Delft op die datum in Rome was, waar hij het slachtoffer
van een aanslag was geworden. Hij raakt gewond. Tevens komt uit deze stukken
naar voren dat hij circa 1560 een siermeubel maakte voor de Conte di Pitigliano.
Deze graaf wilde het kunstwerk aan koning Filips II schenken.
Willem van Tetrode (Guglielmo Fiammingo) is leerling van Guglielmo della
Porta in Rome. Misschien was Van Tetrode medewerker van Ammanati, die
in Rome de fontein van de villa Giulia, dicht bij de Porta del Popolo,
en in Florence de fontein op de Piazza della Signoria heeft gemaakt.
Vast staat dat hij werkstukken naliet in Rome. Thomas Tollet, "ingesetenen
burger ende gesworen Architect ende werckman van de bisschop in Luik",
spreekt in een verloren gegaan contract over het leveren van steen voor
het hoogaltaar van de Oude Kerk in Delft. Hij schrijft over "die excellente
stucken wercx die hij selfs van desen oprecht bysondere Constenaer Tetrode
binnen Rome" had gezien.
Hugo de Groot
Hugo de Groot getuigt van Van Tetrode volgens een vertaling uit het latijn
van het begin der 19e eeuw: "Aan de bekwaamheid van deze man heeft Italië
toegestaan, hetgeen het zo veel eeuwen lang aan niemand vergunde, dat
hij hetgeen aan de overblijfsels der oude beeldhouwkunde gebroken was,
mocht herstellen en enigewijze deelgenoot worden van hun onverwelkelijken
roem.
Rechts: Jesse ligt hier op de grond te slapen. In de boom zit zijn
nageslacht, te beginnen met David (met lier) en voorts de koningen Salomo,
Rehoboam, Abia, Asa, Jehosaphat, Joram, Uzziah, Joatham, Achaz, Hezechias
en Manasse. Helemaal bovenin zit Maria met kind. De biddende non op de
voorgrond zou gezien haar witte habijt lid kunnen zijn van twee kloosterorden
in Geertgens woonplaats Haarlem: de orde van Maria Magdalena of die van
de Wittevrouwen. De man rechts, in contemporaine kleding, zou dan de rector
kunnen zijn van het klooster van de non. (Bron: https://www.statenvertaling.net/kunst/grootbeeld/559.html).
|
 |
|
Van Tetrode's activiteit in Italie voor de geschiedenis van het hoogaltaar
van grote betekenis. Hij had immers in Italië een grondige kennis van
de antieke sulptuur kunnen opdoen en zich met de werkwijze van de grote
Italiaanse kunstenaars uit de Renaissance vertrouwd kunnen maken. Dit
vakmanschap kwam hem goed van pas toen hij op 9 maart 1568 een contract
sloot met de kerkmeesters van de Oude Kerk en de meesters van het Sacramentsgilde.
In het begin van het contract leest men de volgende passage: "Als dat
die voirsz. Meester Willem maecken zal het hoechoutaer in de voersz Oude
Kercke van albastart, swarte marmersteen, toetsteen en de ranssteen, elcx
op sijn proporsie ende meeste syraet, al naer den eys van 't werck glat
ende gaeff gewrocht soe wel achter als voer ende etlicke dingen van coper
al naervolgende hget patroon bij den voersz. Meester Willem daervan geconcipieert
ende den voersz. kerckmeesters gelevert ende dat op sijn steeck ende voet,
naervolgende die cunste van de sculpture ende antiquiteyt."
Aan een dergelijk eis zou de beeldhouwer kunnen voldoen. Hij beloofde
een werk af te leveren "soe goet, excellent ende constich als hij oyt
syn leven enich werck gemaeckt mach hebben ende also goet als eenich meester
't selve soude connen ende moegen maecken sulcx dat diergelijcke in dese
Nederlanden nyt gevonden en sal worden." Voor de kritiek van "meesters
hen dies verstaende".
Willem van Tetrode kreeg voor zijn werk 1600 Carolusguldens van 'veertig
groot Vlaams stick', 300 gulden onmiddellijk, verder elk half jaar 300
gulden tot driemaal toe. De resterende 400 gulden twee jaar na de voltooiing
van het altaar. Deze kosten zouden geleidelijk gedragen worden door de
kerkmeesters en de meesters van het Sacramentsgilde.
Opmeer
De kerkmeesters namen op zich het benodigde materiaal te leveren. Als
hun gemachtigde zou optreden kerkmeester Pieter van Opmeer van de Oude
Kerk, die later als publicist algemene vermaardheid zou verwerven. Ten
tijde van Van Tetrode bekleedde Opmeer een vooraanstaande positie in Delft.
Tezamen met meester Willem Danielsz van Tetrode zou hij naar het 'land
van Luyck ofte elders" trekken om uit naam van de kerkmeesters steen te
kopen.
|

Pieter van Opmeer Zie: https://www.marceltettero.nl/oranje/Opmeer.html
|
|
Zou het materiaal niet tijdig worden geleverd, dan kon Van Tetrode nog
twee jaar langer aan het werk blijven "zonder yedt te verbeuren'. Kwam
de beeldhouwer voor het opleveren van zijn werk te overlijden dan zouden
zijn erfgenamen een redelijke schadeloosstelling krijgen. Eenzelfde regeling
zou worden getroffen, indien bijzondere omstandigheden de voltooiing van
het altaar onmogelijk maakten.
De kerkmeesters en de meesters van het Sacramentsgilde stelden de roerende
en onroerende goederen van de Oude Kerk garant voor het honorarium van
de beeldhouwer. Van zijn kant gaf deze eenzelfde garantie. Pieter van
Opmeer, een zeer vermogend man, zou voor hem optreden als borgman. Opmeer
kreeg een centrale plaats toegewezen bij de afwikkeling van deze zaak:
hij was niet alleen gevolmachtigde van de kerkmeesters, tevens was hij
borg voor de kunstenaars.
Uit een register van inkomsten en uitgaven van de Oude Kerk, lopend van
1545 tot 1572, kunnen wij nadere gegevens putten over de betaling van
materialen en over het honorarium van Van Tetrode. Precies zijn deze niet.
Met name kloppen de bedragen aan de kunstenaar betaald, niet met de som
van 1600 Carolusguldens, die vooraf was afgesproken. Op 9 maart 1568 werden
meester Willem Danielsz de eerste 300 gulden betaald. Op 13 maart 1570
kreeg hij 32 gulden voor een Mariabeeld dat waarschijnlijk een plaats
op het hoogaltaar zou krijgen, als men afgaat op het opschrift boven uitgaven:
"behorende 't Hoghe outaer."
Betaling
De laatste betaling is op 9 maart 1572 voor "backen ende doiren vant
voirsz. outair". Het schijnt dat Van Tetrode eerder zijn arbeid beëindigde,
anders lijkt de volgende post in de Thesauriersrekening van 1570-71 moeilijk
te verklaren: "Noch ghesconcken Mr Willem van Tetrode, beeldesnijder,
ten tijde hij het hoochoutaer in d'oude kercke ghemaect ende tzellve bij
den kerckmeesters opghenomen werden 6 stede canne wijns, belopende 7 pond
4 sch.
Rechts: Een afbeelding van de Boom van Jesse uit de Simon en Judaskerk
in Ootmarsum. Foto: Marcel Tettero
|
 |
|
Deze rekening werd afgesloten op 30 april 1571. We moeten daarom concluderen
dat voor deze datum het essentiele van het hoofdaltaar was voltooid en
dat in de loop van 1572 nog slechts enkele bijkomende werkzaamheden verricht
moesten worden.
Af
Deze conclusie leek me de meest logische tot ik stuitte op een aantekening
van Michiel Michielsz. Vosmeer. In de aantekening van Vosmeer staat dat
de "principael tafel niet volmaect werde overmits de naevolgende troublen."
Deze mededeling zullen wij gezien de betrouwbaarheid van de berichtgever
volledig moeten aanvaarden, zodat wellicht vastgelegd kan worden, dat
het meesterwerk van Van Tetrode in zijn volle omvang nooit openbaar te
zien is geweest. Hierdoor is tevens verklaard dat de kunstenaar nooit
het totale honorarium kreeg.
Beste
Over de steensoorten die Van Tetrode voor het altaar gebruikte zijn wij
behoorlijk ingelicht. In het contract van 9 maart 1568 worden genoemd
"albastart, swarte marmersteen, toetsteen ende ranssteen" en in een contract
dat Van Bleyswijck heeft gekend, wordt "Japissteen" vermeld en komt de
wenselijkheid van het aanbrengen van 2 monolieten van 13 voet lang naar
voren. Doch dit laatste document ging verloren, evenals het contract met
architect Thomas Tollet van de bisschop van Luik. Hij belooft goedkopere
steen te leveren dan hijn gedaan had voor de Beurs van Engeland. Deze
steen zou bovendien de beste van kwaliteit zijn.
Imponerend
Uit de posten van de uitgaven voor het hoogaltaar blijkt dat Van Tetrode
inderdaad naar de steengroeven in Luik kwam om de beloofde steen te betalen.
Hij deed in Antwerpen een betaling aan Adryaan van Bruyseghem voor steen
uit Luik. Op 23 juli 1569 kreeg "meester Thomas Toelet van Luyck" 748
gulden en 11 stuiver. Heel wat steen werd uit Luik gehaald. In Mechelen
kochten Van Opmeer en Van Tetrode steen uit Avennes bij Hoei. Deze steen
is met een schip naar Delft gebracht. In Antwerpen werd albast gekocht.
Ook koper was nodig. Een post van 16 augustus 1569 meldt de aankoop van
13.500 "stien". Het altaar zal waarschijnlijk imponerend groot geweest
zijn. Hoe dit er precies heeft uitgezien blijft voor altijd duister.
Rechts: Tegen de wand is een fraaie schildering te zien van de Boom
van Jesse in de Simon en Judaskerk van Ootmarsum in Twente. Foto Marcel
Tettero
|
 |
|
Opmeer
Archiefmateriaal is nauwelijks voorhanden. Schrijvers zagen het altaar.
Petrus Opmeer werkte nauw samen met de kunstenaar. Opmeer kende ook Maarten
van Heemskerck, Pieter Aertsen, Frans Floris, Antonis Mor en Philip Galle.
Opmeer kond goed oordelen. Hij stond borg voor Van Tetrode. Hij vergezelde
hem op zijn reizen voor het kopen van materiaal.
Zijn werken, Opus Chronographicum en Historica Martyrum Batavicorum,
zijn pas na zijn dood gedrukt, respectievelijk in 1611 en 1625. De tekst
over Van Tetrode is tijdens zijn leven opgesteld.
24 beelden
Uit een passage lezen wij dat het altaar van marmer was en dat het bewonderenswaardig
versierd was met 24 beelden van albast. Het hoort bij de "miracula orbis",
een lofzang die nog herhaald zal worden. De tweede passage leert ons,
dat het volgens de Dorische orde was opgebouwd. Met andere woorden: dat
voldaan was aan de eis van het contract van 9 maart 1568 waarin gesproken
werd over "die cunste van de sculpture ende antiquiteyt". In zeker opzicht
is de tweede passage wat armer dan de eerste, omdat daarin gewag werd
gemaakt van de 24 beelden van albast, waarover Historia Martyrum zwijgt.
Wikipedia over bron Petrus Opmeer Ilja M. Veldman (1974). "Maarten van
Heemskerck and Hadrianus Junius: the relationship between a painter and
a humanist". In C. Broos; J.P. Filedt; P. Hecht; E. De Jongh; G. Schwartz;
E. Taverne (eds.). Netherlands Quarterly for the History of Art. Vol.
7. Springer. p. 36. ISBN 978-94-015-3267-9. https://books.google.nl/books?id=88_3CAAAQBAJ&pg=PA36&redir_esc=y#v=onepage&q&f=false
Rechts: Boom van Jesse in de Sint Laurentiuskerk van Bocholt.
|
 |
|
Op een levendige wijze wordt pater Cornelis Musius van het Sint Agathaklooster
genoemd. Samen staan de patricier uit Delft en de pater, een vermaard
dichter, vol bewondering voor het Delftse wonder en dan komt Musius met
een gedicht vertaalt in een vroeg 19e eeuwse tekst:
Dit heerlijk werkstuk uit verscheiden marmerstenen
Welks wedergave 't oog vergeefs ligt elders zocht,
Waardoor Praxiteles zijn gloor ziet doof geschenen,
Is door den Delvenaar Tetrode in Delft gewrocht.
Deze priester uit de kring van Delftse humanisten raakt zeer geinspireerd.
Van Tetrode was "alter Praxiteles", de tweede Praxiteles.
Opmeer en Musius waren niet de eersten en de laatsten die het altaar
bewonderden. Van alle kanten stroomde men toe. Op 6 juli 1570 kwamen visitatoren
in de avond naar het Barbara convent waar zich heftige scenes afspeelden.
"Soe zijn se gegaan in de Oude Kerck om het nieuwe hoochoutaer te zien".
Was het altaar rustgevend? Men spreekt over het werk van Van Tetrode
als manierisme en barok. De beschouwers van die tijd kwamen door Van Tetrode
in contact met de klassieken en bij hen was het veilig toeven. Aan geen
buitenissigheden behoefden zij zich te ergeren. De meesters uit de klassieke
oudheid hadden vaste normen van schoonheid gegeven en hieraan had Willem
Danielsz. zich gehouden.
Superlatieven
Ongeremd kon men dus zijn bewondering uiten. Velen grepen naar superlatieven,
zoals Hadrianus Junius in zijn Batavia uit 1588. Meermalen is hij in Delft
geweest. Hij onderhield relaties met Harman Schinkel, Musius, Petrus Forestus
en pensionaris Griep of Cripius. Hij had het altaar met eigen ogen gezien.
|
Cornelis Musius (foto) was de laatste rector van het Agathaklooster in
Delft, het nonnenklooster dat Willem van Oranje in november 1572 als residentie
en Prinsenhof koos. Uit angst dat Van Oranje hem niet langer zou kunnen
beschermen, besloot Musius op 9 december te vluchten. Nog diezelfde dag
werd hij door een geuzenmilitie opgepakt en naar het hoofdkwartier van
geuzenleider Lumey aan het Pieterskerkhof in Leiden gebracht. De dag daarop
werd hij urenlang verhoord en gepijnigd. Er is geen verslaglegging van
dit scherpe verhoor bewaard gebleven. Latere geruchten verhalen dat
Musius informatie over verborgen kerkschatten achterhield of dat hij van
plan was Willem van Oranje te verraden en te vergiftigen. Wat daarvan
waar is zullen we waarschijnlijk nooit weten. Zeker is dat de priester
in de nacht van 10 op 11 december op bevel van Lumey werd opgehangen op
de blauwe steen voor het stadhuis en een langzame en helse dood stierf.
Vrijwel onmiddellijk ontstond rondom Musius een katholieke martelaarsverering.
|
|
Twee maal laat hij zich in Batavia over Van Tetrode uit. De eerste keer
zegt hij "Ook heeft Holland een beeldhouwer: Willem van Tetrode, die het
niet alleen over Praxiteles maar zelfs tegenover geheel Rome zou kunnen
stellen. Over hem zal ik bij zijn geboortestad Delft uitvoeriger spreken".
Die belofte houdt hij inderdaad. Want bij de beschrijving van Delft geeft
hij een dit hyrambe: "De oudste van de twee Delftse kerken en tevens de
hoofdkerk stijgt nu op naar het toppunt van praal, dank zij een beeldhouwwerk,
een bijzonder kunstrijk marmeren altaar, waarop zeker, naar mijn mening,
het gezegd van Zeuxis kan worden toegepast: "Naijverig zijn is gemakkelijker
dan navolgen".
Het is gemaakt door een Delftse burger, een tweede Praxiteles, Willem
van Tetrode, die naar een verblijf van vele jaren in Italië, het vuur
van de edelste kunst niet zoals Prometheus in een stengel, maar ingezogen
en opgenomen in zijn bewarende geest naar de zijnen heeft gebracht. En
als Italië dit werk zal zien zal het, dunkt me, aan het ijlen slaan. De
roem van de kunst is naar Holland is verhuisd".
In deze toon gaat de schrijver verder. Hij verwachtt dat Delft om dit
goddelijk werk door bewonderaars overal vandaan bezocht zal worden. Velen
gingen naar Knidos, stad in Lycië, alleen om de Venus van Praxiteles te
bewonderen, gelijk Plinius in zijn Naturalis Historia schreef, of anderen
naar Thespiae, stad in Boeotië, reisden om de Cupido van dezelfde Praxiteles
te zien, zoals Cicero vermeldt. Bovendien levert Van Tetrode een uitzondering
op de algemene regel dat kunstenaars van eigen bodem veracht worden.
De sterk aangezette frasen is geen overdreven geleerdheidsvertoon. Cicero
was in de tweede helft van de 16e eeuw al een autoriteit en Plinius en
Praxiteles waren namen waarmee de geleerden van die tijd vertrouwd waren.
Hadrianus Junius had een intensief contact met zijn lezers. Door deze
overtuigende namen te noemen geeft hij Van Tetrode de hoogste roem. Inmiddels
zijn wij niet veel wijzer geworden over de uitvoeing van het beelhouwwerk
dat de kunstenaar in Delft maakte.
Vosmeer
Voor nadere inlichtingen moeten wij ons wenden tot de Delftse auteur
Michiel Michielsz. Vosmeer. Hij werd op 23 augustus 1545 in Delft geboren
als zoon van Michiel Cornelisz. Vosmaer of Vosmeer en Margaretha Sasbout.
Door zijn afkomst was hij lid van de inner circle van Delftse patriciers
en hij maakte deel uit van de Delftse humanistenkring rondom Musius. Dat
hij het hoogaltaar van dichtbij heeft gekend is vrijwel zeker. De Michiel
Cornelisz die wij in de uitgaven over dit altaar herhaaldelijk aantreffen
is zijn vader geweest en de zoon met zijn intense belangstelling voor
de Delftse geschiedenis zal de gang van de werkzaamheden van nabij hebben
gevolgd.
|

Eind 1572 verzocht Oranje aan admiraal Lumey de gevluchte prior van het
Agathaklooster in Delft, Cornelius Musius, terug te brengen. Lumey pakte
Musius op, bracht hem naar Leiden en liet hem op 10 december, na vreselijke
martelingen, ophangen. .
|
|
Van deze liefde voor het wel en wee van zijn vaderstad heeft hij herhaaldelijk
blijk gegeven. Bekend is gebleven zijn Diva Virgo dat ik al heb genoemd.
Een citaat daaruit dat Van Bleyswijk gedeeltelijk heeft vermeld geeft
eigenlijk geen nieuws. Uit het contract dat Van Bleyswijk nog onder ogen
heeft gehad, was de jaspissteen bekend en de andere steensoorten: albast
en toetssteen zijn vermeld in het contact van 9 maart 1568. Dat een voortreffelijk
werk in de Nederlanden niet gevonden werd, is de lof die Musius, Van Opmeer
en Junius, elk op zijn wijze, had gezongen.
Geheel anders wordt de situatie echter, als wij het manuscript van Vosmeer
lezen. Dit heeft hij kort voor zijn dood in 1616, nauwkeurig gecorrigeerd
en het is te betreuren dat de uitgever Bernardus Gualtherus dit niet beter
heeft benut, dan waren ons heel wat zonden tegen het Latijn bespaard en
zouden interessante toevoegingen breder bekend zijn geworden.
In dit handschrift luidt de vertaling: "De kerk die naast het Sint Aechtenklooster
aan de westzijde van de stad is gelegen, is eerder een oud en eerbiedwaardig
dan een elegant bouwwerk. Binnen in de kerk is het koor en daarin het
hoogaltaar van albast, jaspis en wit- en zwartglanzend marmer. Op de lijst
van het altaar of liever op de vooruitspringende kroonlijst van een colonnade
stond de beeltenis van onze Salvator, geëscorteerd door de beelden van
de Apostelen en de Evangelisten, werk van de Delftenaar Willem van Tetrode.
Legt men deze overzetting naast die van Dr. Anne Berendsen in haar briljant
boek over Delft, dan blijken er nogal wat verschillen. "Cuius coronae
sive prooiecturae columnarum" een afwijkende opvatting. Dr. Berendsen
meent dat hier staat: "op welks rond naar voren komende deel of uitbouw
tussen de zuilen (hoogstens op zuilen gesteunde uitbouw). Hoe dit ook
zij wij weten thans met zekerheid dat een beeld van de Verlosser heeft
gestaan op het hoogaltaar en dat rondom deze centrale figuur de apostelen
en evangelisten waren gegroepeerd.
Dit wordt bevestigd door een marginale aantekening van Michiel Vosmeer
bij de kronink van de Nieuwe Kerk, waarin wordt gezegd: "Inden hooghen
aultaer van de oude kerke in de principale tafel werende van steen stonden
12 stene beelden van de apostelen en ten midden t beeld van den Salvator,
degelijks in den nieuwen aultaer nae de kerkberekinge gevallen anno 1566
zeer costelijc gemaact stonden op nieuws de beelden van den voorsz. Salvator
van de XII apostelen en de vier evangelistn van albasstart zijn de geheel
groot op een grote lijste van steen boven de princiaal tafel.
Zuilen
Doch met deze belangrijkste teksten van Vosmeer voor zich, blijft het
nog uiterst moeilijk zich een voorstelling te vormen van wat Van Tetrode
heeft uitgebeeld. Dr. Berendsen meent te kunnen concluderen: "Wij mogen
ons voorstellen, dat op een zware tussen zuilen naar voren buigende stenen
plint de apostelen en evangelisten levensgroot in albast, dus in een materiaal
dat door zijn warme kleur en transparantie bijzonder overtuigend een levend
wezen voor ogen roept, op de Christus kwamen toelopen, misschien mogen
wij zelfs denken, toesnellen".
Rechts: Icoon uit de Maria van Jesse kerk met een afbeelding van voorvader
Jesse.
|
 |
|
"De architectuur van de muur, die volgens het contract van de Dorische
orde was, zal met zijn zwarte en witte steen, zijn jaspis en koper, het
laatste vermoedelijk gebruikt voor bases en kapitelen der zuilen, een
indrukwekkende, vermoedelijk grotendeels donkere achtergrond hebben gevormd
voor de groep der beelden. Men kan zich voorstellen dat het ongewone,
hevige realisme van de figuren, die anderzijds door de kleur van het albast
toch aan de daagse samenleving werden ontrukt, de diepe indruk heeft gemaakt,
die wij nog in de berichten bespeuren".
Deze citaten zijn suggestief, maar ik kan me voorstellen, dat het laatste
woord over Van Tetrode's hoogaltaar hiermee nog niet is gezegd. Ik hoop
dat de kunsthistorici aan deze netelige kwestie aandacht zullen besteden.
Het is niet overbodig andere schrijver die zich over het Delftse hoogaltaar
hebben uitgelaten, de revue te laten passeren. Hun getuigenissen hebben
veelal slechts secundaire waarde, omdat het zeker is dat zij het altaar
niet zelf hebben gezien.
Hugo de Groot
Ik noem in de eerste plaats Hugo de Groot, geboren in Delft op 10 april
1583. Hoogstens kan hij van zijn vader, de Delftse burgemeester, of van
anderen informatie hebben gekregen. In het derde boek van zijn Parallelon
Rerumpublicarum, dat waarschijnlijk in 1632 voltooid is, komt hij over
Van Tetrode te spreken. Hij erkent volmondig Hadrianus Junius gelezen
te hebben en dat blijkt ook direct. De Cupido van Praxiteles in Thespiae
en de Venus in Knidos verschijnen opnieuw ten tonele. Maar hij gaat nog
verder dan zijn voorganger. Stelde deze zich tevreden om Van Tetrode als
tweede Praxitelesvoor te stellen en uit te spreken dat Italië, indien
het 't Delftse altaar gezien zou hebben, menen zou dat de glorie van Praxiteles
naar de Hollanders was overgegaan, Grotius blijft hierbij niet staan,
maar hij gooit er nog Lysippus en Polycletus tegen aan. Van Tetrode kan
het opnemen tegen de kunstenaars en beeldhouwes van alle eeuwen!
Grotius heeft een boeiende bijzonderheid, die bij geen van zijn voorgangers
is te vinden. Van Tetrode restaureerde antieke kunstwerken in Italië.
Wellicht heeft hij dit detail kunnen geven omdat inwoners van Delft uit
zijn omgeving Van Tetrode persoonlijk hadden gekend. En tegelijkertijd
blijkt bij een vergelijking tussen Junius en Grotius dat de tijd overbiddelijk
is voortgegaan. Junius kon nog constateren, dat het altaar in de Oude
Kerk van Delft aanwezig was. Bij het verschijnen van zijn Batavia in 1588
was dit al niet meer waar - en Grotius, die later leefde, moest vaststellen,
dat van Van Tetrode's werken niets meer was te vinden. Tenminste dat dacht
hij.
|
 |
|
Een tijdgenoot van Van Tetrode, Guicciardini, kon in de eerste uitgaven
van zijn beroemde beschrijving van de Nederlanden niets over de kunstenaar
berichten. Eerst in de Franse vertaling van 1609 kan men lezen over het
kunstig gemaakte altaar.
Schoonheid
Hieruit komt opnieuw duidelijk naar voren waarom men Van Tetrode's arbeid
zozeer bewonderde: hij had zich laten leiden door de klassieke schoonheidsnormen.
Vele jaren later - omstreeks 1667 - volgde Van Bleyswijck. Hij vond waardevolle
gegevens in archieven. Vanzelfsprekend herhaalde Boitet deze in 1729.
Nog geen 80 jaar later ging Meerman op onderzoek uit. Hij vond in Delft
de opgaaf van betalingen voor het hoogaltaar. Bovendien verzekerde "De
Heer Oud-Griffier Roijer" hem dat hij prenten heeft gezien "waarop de
naam Tehtrode, of Tetrodius invenit, gelezen werdt, en die Antique beelden,
Portiquen of iets dergelijken voorstelden".
Van de verdere literatuur vermeld ik de artikelen van E.W.C. Six in het
Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond van 1917 en 1918.
In zijn laatste opstel stelt Six de vraag wat er van het hoogaltaar geworden
is. Hij veronderstelt drie mogelijkheden:
1. Het altaar kan aan de katholieken zijn overgedaan.
2. Een particulier kan op Van Tetrode's oeuvre beslag gelegd hebben.
3. Het werk kan voor afbraak verkocht zijn.
|

Dit schilderij van de anonieme meester in Rijksmuseum Twenthe komt
uit ongeveer dezelfde tijd als het schilderij uit de school van Geertgen
tot Sint Jans. Dit werk zou rond 1500 gemaakt zijn. Binnen de redelijk
standaard voorstelling van het thema zien we op dit schilderij een aantal
opmerkelijke aspecten. Opvallend is dat Jesse niet op de grond ligt te
slapen: hij is op een troon in slaap gevallen.
|
|
De eerste twee wijst hij af. Al kon deze afwijzing wat genauanceerder
verdedigd zijn. Maar voor de derde mogelijkheid is hij sterk geporteerd.
Bredius had hem namelijk inzage gegeven in een inventaris uit het jaar
1624 waarin allerlei werken van Van Tetrode opgesomd worden, onder anderen
een "alblastert Lieven Her printzypael van W. Tetro", "een bisschop S.
Loey", een satyr en een groot Hercules.
Uitgaande van een verkeerde interpretatie
van de toevoeging "printzypael" als zou het betekenen dat dit slaat op
een hoofdaltaar - terwijl het slechts een ander woord is voor een origineel
- meent hij dan dat de door Van Tetrode gemaakte beelden in het bezit
zijn gekomen van de Delftse zilversmid Thomas Crous.
Verkocht
Daar de verklaring van "printzypael" onaanvaardbaar is, behoeven wij
dus niet te accepteren, dat Thomas Crous stukken van Van Tetrode's hoogaltaar
heeft weten te verkrijgen. Wel weten wij, dat niettemin de laatste veronderstelling
van Six juist is en wij kunnen dit bewijzen uit de kerkeraadsnotulen van
Delft. Daaruit vernemen wij, dat de "materialen" van het hoogaltaar in
1574 door de kerkmeester zijn verkocht voor 600 gulden.
|
|
Later, in 1582 kregen de diakenen niet zonder moeite de helft van deze
som om te voorzien in de grote nood der "huysarmen". Bij gelegenheid van
de toen ontstane discussies kon aan de vergadering nog de verkoopakte
van 1574 worden getoond. Dolgraag hadden wij dit document willen zien.
Dan zou waarschijnlijk het mysterie van de latere verblijfplaats van stukken
van het altaar zijn opgelost.
Nu dit niet mogelijk is moet ik nog een moment nader ingaan op een mededeling
van Van Bleyswijck. Ze had in de "oude aanteeckeninge" gevonden dat Prins
Willem I een albasten altaar met 12 albasten Apostelbeelden verzonden
had aan zijn familielid, de graaf Van Schwartzenburg. De prins had volgens
deze aantekening tijdens de Beeldenstorm van 1566 een van zijn pages naar
de Oude Kerk gestuurd om te verhinderen dat het altaar beschadigd werd.
Van Bleyswijck geeft aan, dat hij niet weet op welk altaar deze mededelingen
staan: op dat van voor 1566 of op dat wat door Van Tetrode na die tijd
is gemaakt. En welke beeldenstorm is hier bedoeld, die van 1566 of van
later tijd (1573), toen "een Specie van een tweede Beeldstormingh is voorgevallen"?
Geweld
J. Meerman heeft zich met dit probleem bezig gehouden. Volgens een register
zou de Prins op 24 augustus 1566 het altaar "van 't geweld" hebben beschermd
en vervolgens zou dit altaar naar Van Schwarzenburg zijn gestuurd. "Volgens
de meeste getuigenissen" zouden de beelden naar Straatsburg zijn gezonden.
De vertaler en commentator van De Groot wijst op onjuistheden in Van
Bleyswijcks relaas en in dat van het register. De Prins was ten tijde
van de Beeldenstorm in Brabant en het verhaal, dat hij uit het raam van
het Agathaconvent naar buiten keek om het bedrijf van de beeldenstormers
gade te slaan en een page had gezonden enkel en alleen om het altaar te
beschermen moet als absurd worden verworpen.
Hoe het ook zij, de datum van 24 augustus 1566 is juist - doch wij hebben
hiervoor slechts het register dat Meerman is meegedeeld en dat nergens
meer te vinden is - dan hebben wij in geen geval te maken met het door
Van Tetrode vervaardigde altaar want het contract van deze kunstenaar
dateert van 9 maart 1568. Er blijft dan echter een mogelijkheid dat het
in 1566 verwoestte altaar ook van Van Tetrode's hand is geweest.
Rechts: Afbeelding van de muurschildering van de Boom van Jesse tegen
de zuidmuur van de toren van de Buurkerk in Utrecht in de kerk
|
 |
|
Maar met deze veronderstelling schieten wij niet veel op. Het verhaal
betreffende Willem van Oranje blijft even vreemd als het al was. Ik heb
al uit Van Bleswyck vermeld, dat de beeldenstormers van 1566 het hoogaltaar
zodanig hebben vernield dat slechts een romp was overgebleven. Het verhaal
over de page, dat Van Bleyswijck later opdist, is in kennelijke tegenspraak
met zijn vroegere mededeling.
Hoogstens kan de Prins in latere jaren het Van Tetrode-altaar of althans
het belangrijkste deel ervan van de kerkmeesters hebben gekocht. Vanzelfsprekend
heeft hij het niet zonder meer in beslag kunnen laten nemen. Voor zo'n
optreden ontbrak elke juridische grond. Maar over een koop ontbreken alle
gegevens en ik ben geneigd te geloven dat deze nooit heeft plaats gevonden.
Dit zou althans verklaren waarom van de belangrijke beeldengroep van Van
Tetrode nergens meer een fragment is opgedoken.
Ik moet mij nog een ogenblik met Meerman bezig blijven houden. Deze meent
dat de eerste predicatie van de Hervormden in de Oude Kerk plaats had
op 3 oktober 1574 "gelijk ik onderricht ben" voegt hij er aan toe. Bij
die gelegenheid zou dan het altaar afgebroken zijn. Nu valt uit geen enkele
mij bekende bron de zojuist genoemde datum te verifieren. Zou deze aanvaarbaar
zijn, dan is het nog zeer de vraag of het alraar zich toen nog wel in
de Oude Kerk bevond. In april 1573 heeft namelijk een tweede beeldenstorm
in Delft gewoed en volgens verschillende schrijvers zijn in dat jaar alle
beelden verwoest. Wij moeten dus aannemen dat hoogstwaarschijnlijk met
het vele beelden versierde hoogaltaar eenzelfde lot heeft getroffen.
Boom van Jesse
Tot zover een samenvatting van het hoogaltaar en de werkzaamheden van
Willem van Tetrode. Doch deze kunstenaar heeft meer gedaan. Hij heeft
ook gewerkt aan het altaar van het gilde van de Boom van Jesse, dat in
de Oude Kerk aanwezig was. Een rekening van rentmeester Cornelis Pietersz.
Beaumont van de Zeven Getijden aan de gildemeesters van het Onze Lieve
Vrouwegilde en aan de Zeven Getijdenmmeesters, levert opnieuwe het bewijs
dat niet alleen in het Nieuwe, maar ook in de Oude Kerk van Delft zoals
trouwens overal elders de broederschappen een bijzonder effectieve rol
hebben gespeeld bij het bestellen van kunstwerken.
Ten einde de kosten voor een nieuw altaar van de Boom van Jesse te kunnen
bekostigen, werd op 20 mei 1567 na autorisatie van de burgemeesters van
Delft een stuk land in de Escamp in "Haechamboicht" voor 300 pond en 40
groten Vlaams verkocht aan Pieter Pietersz. in Eikenduin. Deze som zou
bij lange na niet voldoende blijken. Want er was heel wat nodig: hout,
steen, lood, tras en ijzer. Als belangrijkste figuur treedt eerst op Cornelis
Ewoutsz. Proot die allerlei materiaal koopt.
Rechts: Boom van Jesse van eikenhoud is ongeveer 35 cm.groot en komt
uit Antwerpen circa 1540 gemaakt. (Bron:
https://www.belgiansculptures.be/product/boom-van-jesse-retabelstuk/).
|
 |
|
Op 19 december 1568 wordt aan meester Willem van Tetrode betaald 12 pond,
4 schellingen voor door hem gekochte steen "om daervan te aecken drye
beelden op nyewe outaer van den boom Jesse". Naderhand krijgt hij voor
het opzetten van deze beelden opnieuw 3 pond.
Deze uitgaven werden gedaan boven het bedrag van 108 pons dat Van Tetrode
volgens contract van 9 november 1568 had bedongen voor het maken van drie
beelden "ende ciraet die tot het autaer die boeme Jesse behooren sal".
Volgens dit contract zou hij onmiddellijk 36 pond contant ontvangen, een
anderr derde deel, dus opnieuw 36 pond, kreeg hij toen het werk voor de
helft voltooid was en wel op 21 maart 1568, 30 pond kreeg hij bij de voltooiing
van het altaar op 9 oktober 1570, een rest van 6 pond volgde op 24 april
1572. Maar omdat hij meer werk had verricht dan in het contract vermeld
was, kreeg hij op dezelfde datum nog 18 pond, bovendien kreeg zijn vrouw
"tot een beleziere ende scheynkaie" 2 pond.
Van de totale onkosten voor het altaar tezamen 561 pond, 15 schellingen
en 7 stuivers bedragend, had Van Tetrode dus slechts een gedeelte ontvangen,
een bewijs dat hij behalve de 3 beelden niet zoveel extra werk had verzet.
We verliezen al spoedig elk spoor van Van Tetrode in Delft. Hij wordt
nog genoemd in een Delfts document van 2 juli 1574, maar het is allerminst
zeker dat hij toen nog in de stad vertoefde waar hij enkele jaren had
gewerkt.
Uit 1574 kennen wij het beeldhouwwerk van hem aan het huis van Peter
ter Layn in Keulen. In 1575 is hij architect bij Salentin von Isenburg
aartsbisschop van Keulen, maar daarna verdwijnt hij van het toneel. Noch
van zijn sterfdatum, noch van de plaats waar hij begraven is, is iets
bekend. Evenmin staat vee; vast van de invloed die hij op andere kunstenaars
heeft uitgeoefend. Naderhand blijken zich enkele van zijn werken in particulie
bezit in Delft te bevinden. Doch wat wij van hem weten is reeds voldoende
om de betiteling "geheimzinnig" die eens voor hem is gebruikt, enigszins
overdreven te achten. Voor ons doel, de geschiedenis van de Oude Kerk,
zijn in elk geval enkele steekhoudende documenten overgeleverd.
Over de talrijke andere altaren moet ik veel korter zijn. Namen van kunstenaars
van deze altaren zijn er niet. Er is wel een kaartje van waar de altaren
waren geplaatst.
|

Eikenhout, gemerkt met het handje van Antwerpen, hoogte 56 cm, breedte
29 cm. Volgens de overlevering is Jesse de stamvader van een geslacht
koningen waartoe ook Salomo, David en Christus behoorden. Jesse was de
vader van David.
In dit sculptuur groeit er een boom uit het hart van Jesse. In voorstellingen
van de boom van Jesse zijn vaak meerdere heiligen afgebeeld. Waarschijnlijk
hebben er dus soortgelijke sculpturen van andere heiligen bestaan. Deze
werden dan naast elkaar en boven elkaar opgehangen en zo werd het letterljk
een stamboom. Maria en Christus zitten in voorstellingen als deze vaak
in de top van de boom. Christus is dan afgebeeld als Albeheerser. Dit
sculptuur is gemerkt met een handje, hieraan kunnen we zien dat het sculptuur
in Antwerpen gemaakt is. De naam van de stad Antwerpen zou ontstaan zijn
van het woord handwerpen.
|
|
De doopboeken van Delft beginnen pas in 1616. Volgens Weeskamer Delft
voor 1618 inv. nr. 70 f. 119 e.v. echter was zijn moeder Hillegont Dirxdr.
die gehuwd was met Daniel Adriaensz. van Tetroe. Beiden zijn Delvenaren.
Uit het testament van Hillegont Dirxdr. opgesteld op 10 september 1571
blijkt dat zij 12 kinderen had, van wie op dat tijdstip nog 4 in leven
waren. namelijk Pieter Danielsz. Lijsbeth Danielsdr. gehuwd met Mr. Jan
Sixtus, Daniel Danielsz (geboren rond 1536) en Mr. Willem Danielsz. Deze
gegevens zijn voor het eerst gepubliceerd in mijn artikel Willem Danielsz.
van Tetrode en de Oude Kerk in het Binnenhof 11 maart 1961. Vier tekeningen
van Van Tetrode in Oud-Holland, dl 80 (1965), blz. 205-210 om Tetrode
een Antwerpse origine te geven, lijkt me niet geslaagd.
In een aantekening van 29 juni 1588 op een document uit het Weeskamer
Delft inv. nr.. 70 f 118 meldt Jan Sixtus, echtgenoot van Van Tetrode's
zuster Lijsbeth Danielsdr. dat Daniel Danielsz. en Willem Danielsz in
het buitenland zijn gestorven. Maar deze naaste verwanten hadden geen
zekerheid.
|
Beeld tot as verbrand
Volgens Vosmeer zouden beeldenstormers het beeld Maria van Jesse naar
de Markt hebben gesleept waar het tot as is verbrand. Zeker is echter
dat zij hierin niet zijn geslaagd. De stadsregeerders hebben dit beeld
en andere beelden naar het Vondelingenhuis gebracht waar de beelden bewaard
en gepreserveerd zijn. Ik heb al vermeld dat Van Tetrode in 1568 de opdracht
kreeg om drie beelden op het nieuwe altaar van "den boom van Jesse" te
maken. Maar was daarbij ook een nieuw beeld van Maria van Jesse?
Nog tot 1 november 1572 zijn honderden giften voor een nieuw beeld van
Maria van Jesse geincasseerd hetzij het oude, hetzij het nieuw. Aannemelijk
is dat in de beeldenstorm van april 1573 toen "die geuse" hebben "gebriseert
alle die beelden in den kerken en de godshuysen gevonden", ook het oude
of nieuwe Mariabeeld kapot geslagen is. De Oude Kerk was toen al gesloten
en kort na de tweede beeldenstorm werd de openbare uitoefening van de
Katholieke godsdienst verboden. In de nieuwe constellatie was uiteraard
de processie van Maria van Jesse een onmogelijkheid.
Zie ook:
Willem van Tetrode
ontwaakt na 400 jaar
Eerste grote beeldhouwer van ons land
|
|