Home
De Boom van Jesse
Beeldhouwer Willem van Tetrode

Dr. D.P. Oosterbaan schreef een indrukwekkend boek waarin het schitterende werk van de beeldhouwer Willem van Tetrode aan de orde komt. Een aantal gegevens heb ik overgenomen uit het boek De Oude Kerk te Delft in de Middeleeuwen.

Het hoogaltaar van de Oude Kerk in Delft krijgt een opkapbeurt. Is dit hoogaltaar bij de beeldenstorm van 1566 beschadigd? Twaalf stenen apostelen stonden op dit altaar, gegroepeerd rond het beeld van de Verlosser. De beeldenstormers vernielden het grondig. Niet meer dan een romp was er van over. Een geheel nieuw altaar moest er komen. De rijke katholieke bovenlaag in Delft zocht hiervoor aan Willem Danielsz van Tetrode op 9 maart 1568. Van Tetrode kreeg een contract. Hij had al een staat van dienst en was beroemd.

Willem van Tetrode was zo goed als zeker in Delft geboren. Hij trok naar Italie waar hij omstreeks 1549 in Florence werkte. Hij restaureerde bij de beroemde beeldhouwer Benvenuto Cellini een antieke Ganymedes die Stefano Colonna aan Comsimo 1 had geschonken. Het staat vandaag de dag nog in het Bargello.

 

Foto rechts: De boom van Jesse toont het voorgeslacht van Jezus. Jesse (of Isai) was de vader van koning David. Hij is de liggende figuur uit wiens lichaam de boom lijkt te groeien. In de boom worden van beneden naar boven getoond Abraham, David (met harp), Maria en Jezus. Anoniem werk uit de gotiek.Het is een folio (14v) uit het Ingeborg-psalter, een boek met psalmen dat rond het jaar 1200 gemaakt werd in Noord-Frankrijk. Het werd gemaakt voor Ingeborg van Denemarken, de vrouw van de Franse koning Filips II.

In een brief van 25 juni 1562 aan Cosimo 1 herinnert Van Tetrode aan dit verblijf in Florence. Uit documenten van 19 oktober 1562 blijkt dat de kunstenaar uit Delft op die datum in Rome was, waar hij het slachtoffer van een aanslag was geworden. Hij raakt gewond. Tevens komt uit deze stukken naar voren dat hij circa 1560 een siermeubel maakte voor de Conte di Pitigliano. Deze graaf wilde het kunstwerk aan koning Filips II schenken.

Willem van Tetrode (Guglielmo Fiammingo) is leerling van Guglielmo della Porta in Rome. Misschien was Van Tetrode medewerker van Ammanati, die in Rome de fontein van de villa Giulia, dicht bij de Porta del Popolo, en in Florence de fontein op de Piazza della Signoria heeft gemaakt.

Vast staat dat hij werkstukken naliet in Rome. Thomas Tollet, "ingesetenen burger ende gesworen Architect ende werckman van de bisschop in Luik", spreekt in een verloren gegaan contract over het leveren van steen voor het hoogaltaar van de Oude Kerk in Delft. Hij schrijft over "die excellente stucken wercx die hij selfs van desen oprecht bysondere Constenaer Tetrode binnen Rome" had gezien.

Hugo de Groot

Hugo de Groot getuigt van Van Tetrode volgens een vertaling uit het latijn van het begin der 19e eeuw: "Aan de bekwaamheid van deze man heeft Italië toegestaan, hetgeen het zo veel eeuwen lang aan niemand vergunde, dat hij hetgeen aan de overblijfsels der oude beeldhouwkunde gebroken was, mocht herstellen en enigewijze deelgenoot worden van hun onverwelkelijken roem.

 

Rechts: Jesse ligt hier op de grond te slapen. In de boom zit zijn nageslacht, te beginnen met David (met lier) en voorts de koningen Salomo, Rehoboam, Abia, Asa, Jehosaphat, Joram, Uzziah, Joatham, Achaz, Hezechias en Manasse. Helemaal bovenin zit Maria met kind. De biddende non op de voorgrond zou gezien haar witte habijt lid kunnen zijn van twee kloosterorden in Geertgens woonplaats Haarlem: de orde van Maria Magdalena of die van de Wittevrouwen. De man rechts, in contemporaine kleding, zou dan de rector kunnen zijn van het klooster van de non. (Bron: https://www.statenvertaling.net/kunst/grootbeeld/559.html).

Van Tetrode's activiteit in Italie voor de geschiedenis van het hoogaltaar van grote betekenis. Hij had immers in Italië een grondige kennis van de antieke sulptuur kunnen opdoen en zich met de werkwijze van de grote Italiaanse kunstenaars uit de Renaissance vertrouwd kunnen maken. Dit vakmanschap kwam hem goed van pas toen hij op 9 maart 1568 een contract sloot met de kerkmeesters van de Oude Kerk en de meesters van het Sacramentsgilde.

In het begin van het contract leest men de volgende passage: "Als dat die voirsz. Meester Willem maecken zal het hoechoutaer in de voersz Oude Kercke van albastart, swarte marmersteen, toetsteen en de ranssteen, elcx op sijn proporsie ende meeste syraet, al naer den eys van 't werck glat ende gaeff gewrocht soe wel achter als voer ende etlicke dingen van coper al naervolgende hget patroon bij den voersz. Meester Willem daervan geconcipieert ende den voersz. kerckmeesters gelevert ende dat op sijn steeck ende voet, naervolgende die cunste van de sculpture ende antiquiteyt."

Aan een dergelijk eis zou de beeldhouwer kunnen voldoen. Hij beloofde een werk af te leveren "soe goet, excellent ende constich als hij oyt syn leven enich werck gemaeckt mach hebben ende also goet als eenich meester 't selve soude connen ende moegen maecken sulcx dat diergelijcke in dese Nederlanden nyt gevonden en sal worden." Voor de kritiek van "meesters hen dies verstaende".

Willem van Tetrode kreeg voor zijn werk 1600 Carolusguldens van 'veertig groot Vlaams stick', 300 gulden onmiddellijk, verder elk half jaar 300 gulden tot driemaal toe. De resterende 400 gulden twee jaar na de voltooiing van het altaar. Deze kosten zouden geleidelijk gedragen worden door de kerkmeesters en de meesters van het Sacramentsgilde.

Opmeer

De kerkmeesters namen op zich het benodigde materiaal te leveren. Als hun gemachtigde zou optreden kerkmeester Pieter van Opmeer van de Oude Kerk, die later als publicist algemene vermaardheid zou verwerven. Ten tijde van Van Tetrode bekleedde Opmeer een vooraanstaande positie in Delft. Tezamen met meester Willem Danielsz van Tetrode zou hij naar het 'land van Luyck ofte elders" trekken om uit naam van de kerkmeesters steen te kopen.

Pieter van Opmeer Zie: https://www.marceltettero.nl/oranje/Opmeer.html

Zou het materiaal niet tijdig worden geleverd, dan kon Van Tetrode nog twee jaar langer aan het werk blijven "zonder yedt te verbeuren'. Kwam de beeldhouwer voor het opleveren van zijn werk te overlijden dan zouden zijn erfgenamen een redelijke schadeloosstelling krijgen. Eenzelfde regeling zou worden getroffen, indien bijzondere omstandigheden de voltooiing van het altaar onmogelijk maakten.

De kerkmeesters en de meesters van het Sacramentsgilde stelden de roerende en onroerende goederen van de Oude Kerk garant voor het honorarium van de beeldhouwer. Van zijn kant gaf deze eenzelfde garantie. Pieter van Opmeer, een zeer vermogend man, zou voor hem optreden als borgman. Opmeer kreeg een centrale plaats toegewezen bij de afwikkeling van deze zaak: hij was niet alleen gevolmachtigde van de kerkmeesters, tevens was hij borg voor de kunstenaars.

Uit een register van inkomsten en uitgaven van de Oude Kerk, lopend van 1545 tot 1572, kunnen wij nadere gegevens putten over de betaling van materialen en over het honorarium van Van Tetrode. Precies zijn deze niet. Met name kloppen de bedragen aan de kunstenaar betaald, niet met de som van 1600 Carolusguldens, die vooraf was afgesproken. Op 9 maart 1568 werden meester Willem Danielsz de eerste 300 gulden betaald. Op 13 maart 1570 kreeg hij 32 gulden voor een Mariabeeld dat waarschijnlijk een plaats op het hoogaltaar zou krijgen, als men afgaat op het opschrift boven uitgaven: "behorende 't Hoghe outaer."

Betaling

De laatste betaling is op 9 maart 1572 voor "backen ende doiren vant voirsz. outair". Het schijnt dat Van Tetrode eerder zijn arbeid beëindigde, anders lijkt de volgende post in de Thesauriersrekening van 1570-71 moeilijk te verklaren: "Noch ghesconcken Mr Willem van Tetrode, beeldesnijder, ten tijde hij het hoochoutaer in d'oude kercke ghemaect ende tzellve bij den kerckmeesters opghenomen werden 6 stede canne wijns, belopende 7 pond 4 sch.

Rechts: Een afbeelding van de Boom van Jesse uit de Simon en Judaskerk in Ootmarsum. Foto: Marcel Tettero

Deze rekening werd afgesloten op 30 april 1571. We moeten daarom concluderen dat voor deze datum het essentiele van het hoofdaltaar was voltooid en dat in de loop van 1572 nog slechts enkele bijkomende werkzaamheden verricht moesten worden.

Af

Deze conclusie leek me de meest logische tot ik stuitte op een aantekening van Michiel Michielsz. Vosmeer. In de aantekening van Vosmeer staat dat de "principael tafel niet volmaect werde overmits de naevolgende troublen." Deze mededeling zullen wij gezien de betrouwbaarheid van de berichtgever volledig moeten aanvaarden, zodat wellicht vastgelegd kan worden, dat het meesterwerk van Van Tetrode in zijn volle omvang nooit openbaar te zien is geweest. Hierdoor is tevens verklaard dat de kunstenaar nooit het totale honorarium kreeg.

Beste

Over de steensoorten die Van Tetrode voor het altaar gebruikte zijn wij behoorlijk ingelicht. In het contract van 9 maart 1568 worden genoemd "albastart, swarte marmersteen, toetsteen ende ranssteen" en in een contract dat Van Bleyswijck heeft gekend, wordt "Japissteen" vermeld en komt de wenselijkheid van het aanbrengen van 2 monolieten van 13 voet lang naar voren. Doch dit laatste document ging verloren, evenals het contract met architect Thomas Tollet van de bisschop van Luik. Hij belooft goedkopere steen te leveren dan hijn gedaan had voor de Beurs van Engeland. Deze steen zou bovendien de beste van kwaliteit zijn.

Imponerend

Uit de posten van de uitgaven voor het hoogaltaar blijkt dat Van Tetrode inderdaad naar de steengroeven in Luik kwam om de beloofde steen te betalen. Hij deed in Antwerpen een betaling aan Adryaan van Bruyseghem voor steen uit Luik. Op 23 juli 1569 kreeg "meester Thomas Toelet van Luyck" 748 gulden en 11 stuiver. Heel wat steen werd uit Luik gehaald. In Mechelen kochten Van Opmeer en Van Tetrode steen uit Avennes bij Hoei. Deze steen is met een schip naar Delft gebracht. In Antwerpen werd albast gekocht. Ook koper was nodig. Een post van 16 augustus 1569 meldt de aankoop van 13.500 "stien". Het altaar zal waarschijnlijk imponerend groot geweest zijn. Hoe dit er precies heeft uitgezien blijft voor altijd duister.

Rechts: Tegen de wand is een fraaie schildering te zien van de Boom van Jesse in de Simon en Judaskerk van Ootmarsum in Twente. Foto Marcel Tettero

Opmeer

Archiefmateriaal is nauwelijks voorhanden. Schrijvers zagen het altaar. Petrus Opmeer werkte nauw samen met de kunstenaar. Opmeer kende ook Maarten van Heemskerck, Pieter Aertsen, Frans Floris, Antonis Mor en Philip Galle. Opmeer kond goed oordelen. Hij stond borg voor Van Tetrode. Hij vergezelde hem op zijn reizen voor het kopen van materiaal.

Zijn werken, Opus Chronographicum en Historica Martyrum Batavicorum, zijn pas na zijn dood gedrukt, respectievelijk in 1611 en 1625. De tekst over Van Tetrode is tijdens zijn leven opgesteld.

24 beelden

Uit een passage lezen wij dat het altaar van marmer was en dat het bewonderenswaardig versierd was met 24 beelden van albast. Het hoort bij de "miracula orbis", een lofzang die nog herhaald zal worden. De tweede passage leert ons, dat het volgens de Dorische orde was opgebouwd. Met andere woorden: dat voldaan was aan de eis van het contract van 9 maart 1568 waarin gesproken werd over "die cunste van de sculpture ende antiquiteyt". In zeker opzicht is de tweede passage wat armer dan de eerste, omdat daarin gewag werd gemaakt van de 24 beelden van albast, waarover Historia Martyrum zwijgt.

 

Wikipedia over bron Petrus Opmeer Ilja M. Veldman (1974). "Maarten van Heemskerck and Hadrianus Junius: the relationship between a painter and a humanist". In C. Broos; J.P. Filedt; P. Hecht; E. De Jongh; G. Schwartz; E. Taverne (eds.). Netherlands Quarterly for the History of Art. Vol. 7. Springer. p. 36. ISBN 978-94-015-3267-9. https://books.google.nl/books?id=88_3CAAAQBAJ&pg=PA36&redir_esc=y#v=onepage&q&f=false

 

Rechts: Boom van Jesse in de Sint Laurentiuskerk van Bocholt.

Op een levendige wijze wordt pater Cornelis Musius van het Sint Agathaklooster genoemd. Samen staan de patricier uit Delft en de pater, een vermaard dichter, vol bewondering voor het Delftse wonder en dan komt Musius met een gedicht vertaalt in een vroeg 19e eeuwse tekst:

Dit heerlijk werkstuk uit verscheiden marmerstenen
Welks wedergave 't oog vergeefs ligt elders zocht,
Waardoor Praxiteles zijn gloor ziet doof geschenen,
Is door den Delvenaar Tetrode in Delft gewrocht.

Deze priester uit de kring van Delftse humanisten raakt zeer geinspireerd. Van Tetrode was "alter Praxiteles", de tweede Praxiteles.

Opmeer en Musius waren niet de eersten en de laatsten die het altaar bewonderden. Van alle kanten stroomde men toe. Op 6 juli 1570 kwamen visitatoren in de avond naar het Barbara convent waar zich heftige scenes afspeelden. "Soe zijn se gegaan in de Oude Kerck om het nieuwe hoochoutaer te zien".

Was het altaar rustgevend? Men spreekt over het werk van Van Tetrode als manierisme en barok. De beschouwers van die tijd kwamen door Van Tetrode in contact met de klassieken en bij hen was het veilig toeven. Aan geen buitenissigheden behoefden zij zich te ergeren. De meesters uit de klassieke oudheid hadden vaste normen van schoonheid gegeven en hieraan had Willem Danielsz. zich gehouden.

Superlatieven

Ongeremd kon men dus zijn bewondering uiten. Velen grepen naar superlatieven, zoals Hadrianus Junius in zijn Batavia uit 1588. Meermalen is hij in Delft geweest. Hij onderhield relaties met Harman Schinkel, Musius, Petrus Forestus en pensionaris Griep of Cripius. Hij had het altaar met eigen ogen gezien.

 

Cornelis Musius (foto) was de laatste rector van het Agathaklooster in Delft, het nonnenklooster dat Willem van Oranje in november 1572 als residentie en Prinsenhof koos. Uit angst dat Van Oranje hem niet langer zou kunnen beschermen, besloot Musius op 9 december te vluchten. Nog diezelfde dag werd hij door een geuzenmilitie opgepakt en naar het hoofdkwartier van geuzenleider Lumey aan het Pieterskerkhof in Leiden gebracht. De dag daarop werd hij urenlang verhoord en gepijnigd.

Er is geen verslaglegging van dit scherpe verhoor bewaard gebleven. Latere geruchten verhalen dat Musius informatie over verborgen kerkschatten achterhield of dat hij van plan was Willem van Oranje te verraden en te vergiftigen. Wat daarvan waar is zullen we waarschijnlijk nooit weten. Zeker is dat de priester in de nacht van 10 op 11 december op bevel van Lumey werd opgehangen op de blauwe steen voor het stadhuis en een langzame en helse dood stierf. Vrijwel onmiddellijk ontstond rondom Musius een katholieke martelaarsverering.

Twee maal laat hij zich in Batavia over Van Tetrode uit. De eerste keer zegt hij "Ook heeft Holland een beeldhouwer: Willem van Tetrode, die het niet alleen over Praxiteles maar zelfs tegenover geheel Rome zou kunnen stellen. Over hem zal ik bij zijn geboortestad Delft uitvoeriger spreken".

Die belofte houdt hij inderdaad. Want bij de beschrijving van Delft geeft hij een dit hyrambe: "De oudste van de twee Delftse kerken en tevens de hoofdkerk stijgt nu op naar het toppunt van praal, dank zij een beeldhouwwerk, een bijzonder kunstrijk marmeren altaar, waarop zeker, naar mijn mening, het gezegd van Zeuxis kan worden toegepast: "Naijverig zijn is gemakkelijker dan navolgen".

Het is gemaakt door een Delftse burger, een tweede Praxiteles, Willem van Tetrode, die naar een verblijf van vele jaren in Italië, het vuur van de edelste kunst niet zoals Prometheus in een stengel, maar ingezogen en opgenomen in zijn bewarende geest naar de zijnen heeft gebracht. En als Italië dit werk zal zien zal het, dunkt me, aan het ijlen slaan. De roem van de kunst is naar Holland is verhuisd".

In deze toon gaat de schrijver verder. Hij verwachtt dat Delft om dit goddelijk werk door bewonderaars overal vandaan bezocht zal worden. Velen gingen naar Knidos, stad in Lycië, alleen om de Venus van Praxiteles te bewonderen, gelijk Plinius in zijn Naturalis Historia schreef, of anderen naar Thespiae, stad in Boeotië, reisden om de Cupido van dezelfde Praxiteles te zien, zoals Cicero vermeldt. Bovendien levert Van Tetrode een uitzondering op de algemene regel dat kunstenaars van eigen bodem veracht worden.

De sterk aangezette frasen is geen overdreven geleerdheidsvertoon. Cicero was in de tweede helft van de 16e eeuw al een autoriteit en Plinius en Praxiteles waren namen waarmee de geleerden van die tijd vertrouwd waren. Hadrianus Junius had een intensief contact met zijn lezers. Door deze overtuigende namen te noemen geeft hij Van Tetrode de hoogste roem. Inmiddels zijn wij niet veel wijzer geworden over de uitvoeing van het beelhouwwerk dat de kunstenaar in Delft maakte.

Vosmeer

Voor nadere inlichtingen moeten wij ons wenden tot de Delftse auteur Michiel Michielsz. Vosmeer. Hij werd op 23 augustus 1545 in Delft geboren als zoon van Michiel Cornelisz. Vosmaer of Vosmeer en Margaretha Sasbout. Door zijn afkomst was hij lid van de inner circle van Delftse patriciers en hij maakte deel uit van de Delftse humanistenkring rondom Musius. Dat hij het hoogaltaar van dichtbij heeft gekend is vrijwel zeker. De Michiel Cornelisz die wij in de uitgaven over dit altaar herhaaldelijk aantreffen is zijn vader geweest en de zoon met zijn intense belangstelling voor de Delftse geschiedenis zal de gang van de werkzaamheden van nabij hebben gevolgd.

Eind 1572 verzocht Oranje aan admiraal Lumey de gevluchte prior van het Agathaklooster in Delft, Cornelius Musius, terug te brengen. Lumey pakte Musius op, bracht hem naar Leiden en liet hem op 10 december, na vreselijke martelingen, ophangen. .

Van deze liefde voor het wel en wee van zijn vaderstad heeft hij herhaaldelijk blijk gegeven. Bekend is gebleven zijn Diva Virgo dat ik al heb genoemd. Een citaat daaruit dat Van Bleyswijk gedeeltelijk heeft vermeld geeft eigenlijk geen nieuws. Uit het contract dat Van Bleyswijk nog onder ogen heeft gehad, was de jaspissteen bekend en de andere steensoorten: albast en toetssteen zijn vermeld in het contact van 9 maart 1568. Dat een voortreffelijk werk in de Nederlanden niet gevonden werd, is de lof die Musius, Van Opmeer en Junius, elk op zijn wijze, had gezongen.

Geheel anders wordt de situatie echter, als wij het manuscript van Vosmeer lezen. Dit heeft hij kort voor zijn dood in 1616, nauwkeurig gecorrigeerd en het is te betreuren dat de uitgever Bernardus Gualtherus dit niet beter heeft benut, dan waren ons heel wat zonden tegen het Latijn bespaard en zouden interessante toevoegingen breder bekend zijn geworden.

In dit handschrift luidt de vertaling: "De kerk die naast het Sint Aechtenklooster aan de westzijde van de stad is gelegen, is eerder een oud en eerbiedwaardig dan een elegant bouwwerk. Binnen in de kerk is het koor en daarin het hoogaltaar van albast, jaspis en wit- en zwartglanzend marmer. Op de lijst van het altaar of liever op de vooruitspringende kroonlijst van een colonnade stond de beeltenis van onze Salvator, geëscorteerd door de beelden van de Apostelen en de Evangelisten, werk van de Delftenaar Willem van Tetrode.

Legt men deze overzetting naast die van Dr. Anne Berendsen in haar briljant boek over Delft, dan blijken er nogal wat verschillen. "Cuius coronae sive prooiecturae columnarum" een afwijkende opvatting. Dr. Berendsen meent dat hier staat: "op welks rond naar voren komende deel of uitbouw tussen de zuilen (hoogstens op zuilen gesteunde uitbouw). Hoe dit ook zij wij weten thans met zekerheid dat een beeld van de Verlosser heeft gestaan op het hoogaltaar en dat rondom deze centrale figuur de apostelen en evangelisten waren gegroepeerd.

Dit wordt bevestigd door een marginale aantekening van Michiel Vosmeer bij de kronink van de Nieuwe Kerk, waarin wordt gezegd: "Inden hooghen aultaer van de oude kerke in de principale tafel werende van steen stonden 12 stene beelden van de apostelen en ten midden t beeld van den Salvator, degelijks in den nieuwen aultaer nae de kerkberekinge gevallen anno 1566 zeer costelijc gemaact stonden op nieuws de beelden van den voorsz. Salvator van de XII apostelen en de vier evangelistn van albasstart zijn de geheel groot op een grote lijste van steen boven de princiaal tafel.

Zuilen

Doch met deze belangrijkste teksten van Vosmeer voor zich, blijft het nog uiterst moeilijk zich een voorstelling te vormen van wat Van Tetrode heeft uitgebeeld. Dr. Berendsen meent te kunnen concluderen: "Wij mogen ons voorstellen, dat op een zware tussen zuilen naar voren buigende stenen plint de apostelen en evangelisten levensgroot in albast, dus in een materiaal dat door zijn warme kleur en transparantie bijzonder overtuigend een levend wezen voor ogen roept, op de Christus kwamen toelopen, misschien mogen wij zelfs denken, toesnellen".

Rechts: Icoon uit de Maria van Jesse kerk met een afbeelding van voorvader Jesse.

"De architectuur van de muur, die volgens het contract van de Dorische orde was, zal met zijn zwarte en witte steen, zijn jaspis en koper, het laatste vermoedelijk gebruikt voor bases en kapitelen der zuilen, een indrukwekkende, vermoedelijk grotendeels donkere achtergrond hebben gevormd voor de groep der beelden. Men kan zich voorstellen dat het ongewone, hevige realisme van de figuren, die anderzijds door de kleur van het albast toch aan de daagse samenleving werden ontrukt, de diepe indruk heeft gemaakt, die wij nog in de berichten bespeuren".

Deze citaten zijn suggestief, maar ik kan me voorstellen, dat het laatste woord over Van Tetrode's hoogaltaar hiermee nog niet is gezegd. Ik hoop dat de kunsthistorici aan deze netelige kwestie aandacht zullen besteden. Het is niet overbodig andere schrijver die zich over het Delftse hoogaltaar hebben uitgelaten, de revue te laten passeren. Hun getuigenissen hebben veelal slechts secundaire waarde, omdat het zeker is dat zij het altaar niet zelf hebben gezien.

Hugo de Groot

Ik noem in de eerste plaats Hugo de Groot, geboren in Delft op 10 april 1583. Hoogstens kan hij van zijn vader, de Delftse burgemeester, of van anderen informatie hebben gekregen. In het derde boek van zijn Parallelon Rerumpublicarum, dat waarschijnlijk in 1632 voltooid is, komt hij over Van Tetrode te spreken. Hij erkent volmondig Hadrianus Junius gelezen te hebben en dat blijkt ook direct. De Cupido van Praxiteles in Thespiae en de Venus in Knidos verschijnen opnieuw ten tonele. Maar hij gaat nog verder dan zijn voorganger. Stelde deze zich tevreden om Van Tetrode als tweede Praxitelesvoor te stellen en uit te spreken dat Italië, indien het 't Delftse altaar gezien zou hebben, menen zou dat de glorie van Praxiteles naar de Hollanders was overgegaan, Grotius blijft hierbij niet staan, maar hij gooit er nog Lysippus en Polycletus tegen aan. Van Tetrode kan het opnemen tegen de kunstenaars en beeldhouwes van alle eeuwen!

Grotius heeft een boeiende bijzonderheid, die bij geen van zijn voorgangers is te vinden. Van Tetrode restaureerde antieke kunstwerken in Italië. Wellicht heeft hij dit detail kunnen geven omdat inwoners van Delft uit zijn omgeving Van Tetrode persoonlijk hadden gekend. En tegelijkertijd blijkt bij een vergelijking tussen Junius en Grotius dat de tijd overbiddelijk is voortgegaan. Junius kon nog constateren, dat het altaar in de Oude Kerk van Delft aanwezig was. Bij het verschijnen van zijn Batavia in 1588 was dit al niet meer waar - en Grotius, die later leefde, moest vaststellen, dat van Van Tetrode's werken niets meer was te vinden. Tenminste dat dacht hij.

Een tijdgenoot van Van Tetrode, Guicciardini, kon in de eerste uitgaven van zijn beroemde beschrijving van de Nederlanden niets over de kunstenaar berichten. Eerst in de Franse vertaling van 1609 kan men lezen over het kunstig gemaakte altaar.

Schoonheid

Hieruit komt opnieuw duidelijk naar voren waarom men Van Tetrode's arbeid zozeer bewonderde: hij had zich laten leiden door de klassieke schoonheidsnormen. Vele jaren later - omstreeks 1667 - volgde Van Bleyswijck. Hij vond waardevolle gegevens in archieven. Vanzelfsprekend herhaalde Boitet deze in 1729. Nog geen 80 jaar later ging Meerman op onderzoek uit. Hij vond in Delft de opgaaf van betalingen voor het hoogaltaar. Bovendien verzekerde "De Heer Oud-Griffier Roijer" hem dat hij prenten heeft gezien "waarop de naam Tehtrode, of Tetrodius invenit, gelezen werdt, en die Antique beelden, Portiquen of iets dergelijken voorstelden".

Van de verdere literatuur vermeld ik de artikelen van E.W.C. Six in het Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond van 1917 en 1918. In zijn laatste opstel stelt Six de vraag wat er van het hoogaltaar geworden is. Hij veronderstelt drie mogelijkheden:

1. Het altaar kan aan de katholieken zijn overgedaan.

2. Een particulier kan op Van Tetrode's oeuvre beslag gelegd hebben.

3. Het werk kan voor afbraak verkocht zijn.

 

Dit schilderij van de anonieme meester in Rijksmuseum Twenthe komt uit ongeveer dezelfde tijd als het schilderij uit de school van Geertgen tot Sint Jans. Dit werk zou rond 1500 gemaakt zijn. Binnen de redelijk standaard voorstelling van het thema zien we op dit schilderij een aantal opmerkelijke aspecten. Opvallend is dat Jesse niet op de grond ligt te slapen: hij is op een troon in slaap gevallen.

De eerste twee wijst hij af. Al kon deze afwijzing wat genauanceerder verdedigd zijn. Maar voor de derde mogelijkheid is hij sterk geporteerd. Bredius had hem namelijk inzage gegeven in een inventaris uit het jaar 1624 waarin allerlei werken van Van Tetrode opgesomd worden, onder anderen een "alblastert Lieven Her printzypael van W. Tetro", "een bisschop S. Loey", een satyr en een groot Hercules.

Uitgaande van een verkeerde interpretatie van de toevoeging "printzypael" als zou het betekenen dat dit slaat op een hoofdaltaar - terwijl het slechts een ander woord is voor een origineel - meent hij dan dat de door Van Tetrode gemaakte beelden in het bezit zijn gekomen van de Delftse zilversmid Thomas Crous.

Verkocht

Daar de verklaring van "printzypael" onaanvaardbaar is, behoeven wij dus niet te accepteren, dat Thomas Crous stukken van Van Tetrode's hoogaltaar heeft weten te verkrijgen. Wel weten wij, dat niettemin de laatste veronderstelling van Six juist is en wij kunnen dit bewijzen uit de kerkeraadsnotulen van Delft. Daaruit vernemen wij, dat de "materialen" van het hoogaltaar in 1574 door de kerkmeester zijn verkocht voor 600 gulden.

 

Later, in 1582 kregen de diakenen niet zonder moeite de helft van deze som om te voorzien in de grote nood der "huysarmen". Bij gelegenheid van de toen ontstane discussies kon aan de vergadering nog de verkoopakte van 1574 worden getoond. Dolgraag hadden wij dit document willen zien. Dan zou waarschijnlijk het mysterie van de latere verblijfplaats van stukken van het altaar zijn opgelost.

Nu dit niet mogelijk is moet ik nog een moment nader ingaan op een mededeling van Van Bleyswijck. Ze had in de "oude aanteeckeninge" gevonden dat Prins Willem I een albasten altaar met 12 albasten Apostelbeelden verzonden had aan zijn familielid, de graaf Van Schwartzenburg. De prins had volgens deze aantekening tijdens de Beeldenstorm van 1566 een van zijn pages naar de Oude Kerk gestuurd om te verhinderen dat het altaar beschadigd werd.

Van Bleyswijck geeft aan, dat hij niet weet op welk altaar deze mededelingen staan: op dat van voor 1566 of op dat wat door Van Tetrode na die tijd is gemaakt. En welke beeldenstorm is hier bedoeld, die van 1566 of van later tijd (1573), toen "een Specie van een tweede Beeldstormingh is voorgevallen"?

Geweld

J. Meerman heeft zich met dit probleem bezig gehouden. Volgens een register zou de Prins op 24 augustus 1566 het altaar "van 't geweld" hebben beschermd en vervolgens zou dit altaar naar Van Schwarzenburg zijn gestuurd. "Volgens de meeste getuigenissen" zouden de beelden naar Straatsburg zijn gezonden.

De vertaler en commentator van De Groot wijst op onjuistheden in Van Bleyswijcks relaas en in dat van het register. De Prins was ten tijde van de Beeldenstorm in Brabant en het verhaal, dat hij uit het raam van het Agathaconvent naar buiten keek om het bedrijf van de beeldenstormers gade te slaan en een page had gezonden enkel en alleen om het altaar te beschermen moet als absurd worden verworpen.

Hoe het ook zij, de datum van 24 augustus 1566 is juist - doch wij hebben hiervoor slechts het register dat Meerman is meegedeeld en dat nergens meer te vinden is - dan hebben wij in geen geval te maken met het door Van Tetrode vervaardigde altaar want het contract van deze kunstenaar dateert van 9 maart 1568. Er blijft dan echter een mogelijkheid dat het in 1566 verwoestte altaar ook van Van Tetrode's hand is geweest.

Rechts: Afbeelding van de muurschildering van de Boom van Jesse tegen de zuidmuur van de toren van de Buurkerk in Utrecht in de kerk

Maar met deze veronderstelling schieten wij niet veel op. Het verhaal betreffende Willem van Oranje blijft even vreemd als het al was. Ik heb al uit Van Bleswyck vermeld, dat de beeldenstormers van 1566 het hoogaltaar zodanig hebben vernield dat slechts een romp was overgebleven. Het verhaal over de page, dat Van Bleyswijck later opdist, is in kennelijke tegenspraak met zijn vroegere mededeling.

Hoogstens kan de Prins in latere jaren het Van Tetrode-altaar of althans het belangrijkste deel ervan van de kerkmeesters hebben gekocht. Vanzelfsprekend heeft hij het niet zonder meer in beslag kunnen laten nemen. Voor zo'n optreden ontbrak elke juridische grond. Maar over een koop ontbreken alle gegevens en ik ben geneigd te geloven dat deze nooit heeft plaats gevonden. Dit zou althans verklaren waarom van de belangrijke beeldengroep van Van Tetrode nergens meer een fragment is opgedoken.

Ik moet mij nog een ogenblik met Meerman bezig blijven houden. Deze meent dat de eerste predicatie van de Hervormden in de Oude Kerk plaats had op 3 oktober 1574 "gelijk ik onderricht ben" voegt hij er aan toe. Bij die gelegenheid zou dan het altaar afgebroken zijn. Nu valt uit geen enkele mij bekende bron de zojuist genoemde datum te verifieren. Zou deze aanvaarbaar zijn, dan is het nog zeer de vraag of het alraar zich toen nog wel in de Oude Kerk bevond. In april 1573 heeft namelijk een tweede beeldenstorm in Delft gewoed en volgens verschillende schrijvers zijn in dat jaar alle beelden verwoest. Wij moeten dus aannemen dat hoogstwaarschijnlijk met het vele beelden versierde hoogaltaar eenzelfde lot heeft getroffen.

Boom van Jesse

Tot zover een samenvatting van het hoogaltaar en de werkzaamheden van Willem van Tetrode. Doch deze kunstenaar heeft meer gedaan. Hij heeft ook gewerkt aan het altaar van het gilde van de Boom van Jesse, dat in de Oude Kerk aanwezig was. Een rekening van rentmeester Cornelis Pietersz. Beaumont van de Zeven Getijden aan de gildemeesters van het Onze Lieve Vrouwegilde en aan de Zeven Getijdenmmeesters, levert opnieuwe het bewijs dat niet alleen in het Nieuwe, maar ook in de Oude Kerk van Delft zoals trouwens overal elders de broederschappen een bijzonder effectieve rol hebben gespeeld bij het bestellen van kunstwerken.

Ten einde de kosten voor een nieuw altaar van de Boom van Jesse te kunnen bekostigen, werd op 20 mei 1567 na autorisatie van de burgemeesters van Delft een stuk land in de Escamp in "Haechamboicht" voor 300 pond en 40 groten Vlaams verkocht aan Pieter Pietersz. in Eikenduin. Deze som zou bij lange na niet voldoende blijken. Want er was heel wat nodig: hout, steen, lood, tras en ijzer. Als belangrijkste figuur treedt eerst op Cornelis Ewoutsz. Proot die allerlei materiaal koopt.

Rechts: Boom van Jesse van eikenhoud is ongeveer 35 cm.groot en komt uit Antwerpen circa 1540 gemaakt. (Bron: https://www.belgiansculptures.be/product/boom-van-jesse-retabelstuk/).

 

Op 19 december 1568 wordt aan meester Willem van Tetrode betaald 12 pond, 4 schellingen voor door hem gekochte steen "om daervan te aecken drye beelden op nyewe outaer van den boom Jesse". Naderhand krijgt hij voor het opzetten van deze beelden opnieuw 3 pond.

Deze uitgaven werden gedaan boven het bedrag van 108 pons dat Van Tetrode volgens contract van 9 november 1568 had bedongen voor het maken van drie beelden "ende ciraet die tot het autaer die boeme Jesse behooren sal". Volgens dit contract zou hij onmiddellijk 36 pond contant ontvangen, een anderr derde deel, dus opnieuw 36 pond, kreeg hij toen het werk voor de helft voltooid was en wel op 21 maart 1568, 30 pond kreeg hij bij de voltooiing van het altaar op 9 oktober 1570, een rest van 6 pond volgde op 24 april 1572. Maar omdat hij meer werk had verricht dan in het contract vermeld was, kreeg hij op dezelfde datum nog 18 pond, bovendien kreeg zijn vrouw "tot een beleziere ende scheynkaie" 2 pond.

Van de totale onkosten voor het altaar tezamen 561 pond, 15 schellingen en 7 stuivers bedragend, had Van Tetrode dus slechts een gedeelte ontvangen, een bewijs dat hij behalve de 3 beelden niet zoveel extra werk had verzet.

We verliezen al spoedig elk spoor van Van Tetrode in Delft. Hij wordt nog genoemd in een Delfts document van 2 juli 1574, maar het is allerminst zeker dat hij toen nog in de stad vertoefde waar hij enkele jaren had gewerkt.

Uit 1574 kennen wij het beeldhouwwerk van hem aan het huis van Peter ter Layn in Keulen. In 1575 is hij architect bij Salentin von Isenburg aartsbisschop van Keulen, maar daarna verdwijnt hij van het toneel. Noch van zijn sterfdatum, noch van de plaats waar hij begraven is, is iets bekend. Evenmin staat vee; vast van de invloed die hij op andere kunstenaars heeft uitgeoefend. Naderhand blijken zich enkele van zijn werken in particulie bezit in Delft te bevinden. Doch wat wij van hem weten is reeds voldoende om de betiteling "geheimzinnig" die eens voor hem is gebruikt, enigszins overdreven te achten. Voor ons doel, de geschiedenis van de Oude Kerk, zijn in elk geval enkele steekhoudende documenten overgeleverd.

Over de talrijke andere altaren moet ik veel korter zijn. Namen van kunstenaars van deze altaren zijn er niet. Er is wel een kaartje van waar de altaren waren geplaatst.

 

Eikenhout, gemerkt met het handje van Antwerpen, hoogte 56 cm, breedte 29 cm. Volgens de overlevering is Jesse de stamvader van een geslacht koningen waartoe ook Salomo, David en Christus behoorden. Jesse was de vader van David.

In dit sculptuur groeit er een boom uit het hart van Jesse. In voorstellingen van de boom van Jesse zijn vaak meerdere heiligen afgebeeld. Waarschijnlijk hebben er dus soortgelijke sculpturen van andere heiligen bestaan. Deze werden dan naast elkaar en boven elkaar opgehangen en zo werd het letterljk een stamboom. Maria en Christus zitten in voorstellingen als deze vaak in de top van de boom. Christus is dan afgebeeld als Albeheerser. Dit sculptuur is gemerkt met een handje, hieraan kunnen we zien dat het sculptuur in Antwerpen gemaakt is. De naam van de stad Antwerpen zou ontstaan zijn van het woord handwerpen.

De doopboeken van Delft beginnen pas in 1616. Volgens Weeskamer Delft voor 1618 inv. nr. 70 f. 119 e.v. echter was zijn moeder Hillegont Dirxdr. die gehuwd was met Daniel Adriaensz. van Tetroe. Beiden zijn Delvenaren.

Uit het testament van Hillegont Dirxdr. opgesteld op 10 september 1571 blijkt dat zij 12 kinderen had, van wie op dat tijdstip nog 4 in leven waren. namelijk Pieter Danielsz. Lijsbeth Danielsdr. gehuwd met Mr. Jan Sixtus, Daniel Danielsz (geboren rond 1536) en Mr. Willem Danielsz. Deze gegevens zijn voor het eerst gepubliceerd in mijn artikel Willem Danielsz. van Tetrode en de Oude Kerk in het Binnenhof 11 maart 1961. Vier tekeningen van Van Tetrode in Oud-Holland, dl 80 (1965), blz. 205-210 om Tetrode een Antwerpse origine te geven, lijkt me niet geslaagd.

In een aantekening van 29 juni 1588 op een document uit het Weeskamer Delft inv. nr.. 70 f 118 meldt Jan Sixtus, echtgenoot van Van Tetrode's zuster Lijsbeth Danielsdr. dat Daniel Danielsz. en Willem Danielsz in het buitenland zijn gestorven. Maar deze naaste verwanten hadden geen zekerheid.

Beeld tot as verbrand

Volgens Vosmeer zouden beeldenstormers het beeld Maria van Jesse naar de Markt hebben gesleept waar het tot as is verbrand. Zeker is echter dat zij hierin niet zijn geslaagd. De stadsregeerders hebben dit beeld en andere beelden naar het Vondelingenhuis gebracht waar de beelden bewaard en gepreserveerd zijn. Ik heb al vermeld dat Van Tetrode in 1568 de opdracht kreeg om drie beelden op het nieuwe altaar van "den boom van Jesse" te maken. Maar was daarbij ook een nieuw beeld van Maria van Jesse?

Nog tot 1 november 1572 zijn honderden giften voor een nieuw beeld van Maria van Jesse geincasseerd hetzij het oude, hetzij het nieuw. Aannemelijk is dat in de beeldenstorm van april 1573 toen "die geuse" hebben "gebriseert alle die beelden in den kerken en de godshuysen gevonden", ook het oude of nieuwe Mariabeeld kapot geslagen is. De Oude Kerk was toen al gesloten en kort na de tweede beeldenstorm werd de openbare uitoefening van de Katholieke godsdienst verboden. In de nieuwe constellatie was uiteraard de processie van Maria van Jesse een onmogelijkheid.


Zie ook:

Willem van Tetrode ontwaakt na 400 jaar

Eerste grote beeldhouwer van ons land