Verkenner zoekt brug om Twentekanaal over te steken

Uit een dagboek uit de oorlog

Luitenant Stuart Hills van de verkenningseenheid Sherwood Rangers moet bruggen over het Twentekanaal zoeken die nog in tact zijn en begaanbaar voor tank. Zijn relaas:

Die avond (1 april 1945) kregen we tijdens een briefing de opdracht om als verkenningseenheid de volgende morgen om 04.30 uur naar het Twentekanaal te gaan. De eerste paar uren van de tocht was het nog donker behalve dan de zoeklichten die ons wel wat verlichting gaven en volgens mij de vijand in verwarring brachten.

De brug die we zouden moeten oversteken bleek opgeblazen (Oelerbrug of Sint Annabrug), zodat ik orders kreeg van mijn bataljonscommandant een andere oversteekmogelijkheid te verkennen ongeveer drie kilometer in westelijke richting (sluisbrug bij Wiene). Ik pakte de Dingo en nam sergeant Pothecary en korporal Morris mee. Toen we de brug die boven op een grote dijk lag genaderd waren liet ik de drie voertuigen halt houden. Ik zei tegen sergeant Pothecary en korporaal Morris dat we het laatste stuk te voet zouden afleggen. Ik gaf de schutters van de twee tanks (honey) de strikte opdracht ons te dekken en het vuur te openen als er op ons geschoten zou worden. Het korte stuk naar de dijk bood ons geen enkele dekking, zodat ons niets anders overbleef dat stoutmoedig over het open terrein te lopen. Ik wist, als ik dit zou doen, dat noch sergenant Pothecary noch korporaal Morris daar iets op zou zeggen.

Er gebeurde niets behalve dat we een Duitser uit een schuttersput boven aan de dijk zagen springen die daarop verdween. Toen we de rand van de dijk naderden, werden we voorzichtiger. We bleven door klimmen en staken langzaam onze hoofden boven de rand uit. Vlak voor ons lag de brug. Groot was ie niet en halverwege zat een gat veroorzaakt door een explosie. Ik wist dat onze opdracht nog niet voltooid was: als ik nu terug zou gaan en alleen deze informatie zou doorgeven zouden er vragen kunnen worden gesteld als, hoe groot was het gat, zou de brug ondermijnd zijn, werd de brug verdedigd?

Dat alles zou uitgezocht moeten worden. Allerlei gedachten flitsten door mijn hoofd: Ik kwam echter tot de conclusie dat de enige manier om dit vast te stellen was door over de brug te lopen en ik wist dat ik dat moest doen. Mijn grootste angst vanaf de landing in Normandië was, dat ik op enig moment door de mannen voor gek versleten zou worden. Ik kan in alle oprechtheid zeggen dat ik liever zou sterven dat het zover te laten komen. Ik besefte nu dat dit een van die situaties was waarin ik dat risico moest nemen. Ik wist precies wat er in de hoofden van de andere twee omging en zij wisten donders goed dat zij op korte afstand zouden moeten volgen, als ik de sprong zou wagen.

Voorzichtigheid was zinloos, zo gauw iemand boven de dijkrand zou uitkomen was ie ver in de omtrek te zien. Daarom kwam ik snel overend en liep op de brug af. Ik voelde me rot. Ik liep langzaam over de brug en hield halt bij het gat. Ik kon niets ontdekken dat op mijnen leek, blijkbaar was de brug niet geschikt voor tanks. Ze was hooguit door de infanterie te gebruiken, die als die planken over het gat zou leggen er zo overheen zou kunnen lopen. Op dat moment kwamen sergeant Pothecary en korporaal Morris naderbij. Een schot weerklonk, maar miste ons ruimschoots. Korporaal Morris zei mij: 'Hebt u naar de overkant gekeken, sir? Omdat op ongeveer 200 meter in die bomenrij ongeveer twee of driehonderd Duitsers zitten."

Ik keek en zag ze daar zitten. Ik zei: "Kom op, we smeren hem." en we liepen zo hard we konden. We renden het talud af terwijl met tussenpozen enkele schoten achter ons weerklonken. Ik ging terug naar het regimentshoofdkwartier ergens tussen Borculo en Neede. De commandant van het bataljon 12/60th stelde voor dat ik hem naar de bewuste dijk zou brengen zodat hijzelf de positie in ogenschouw kon nemen.

We vertrokken. We lieten de voertuigen achter waar we ze eerder ook hadden laten staan en gingen op weg over open terrein naar de dijk. Deze keer kwamen we niet verder dan halfweg toen er op ons gevuurd werd. We renden allemaal richting een boerderij (van Morsink) voor dekking. We kropen hijgend die kant uit en kregen het warm, omdat we dikke tankoveralls aan hadden. Het vuur kwam van de dijk aan onze kant. De Duitsers begrepen donders goed wat er aan de hand was. Ik legde uit waar de brug was en hoe die benaderd kon worden. Toen zij genoeg gezien hadden, zei de commandant: "We smeren hem. We gaan een voor een en wel zo hard als we kunnen." Hij vertrok als eerste waarop de compagniescommandant volgde. Ik wachtte enkele seconden en deed hetzelfde. Een paar onregelmatige en bijzonder onnauwkeurige schoten kwamen ons na. De commandant, een tamelijk grote man, kwam vast te zitten toen hij door een omheining van prikkeldraad probeerde te komen, waardoor hij zijn tankoverall aan flarden scheurde. Hij zag er werkelijk komisch uit. Terwijl ik voortrende, barstte ik in lachen uit."